Als de deur dichtgaat © Dylann Hendricks via pexels

© Dylann Hendricks via pexels

Wat doe je als iemand die je kostbaar is, de deur naar elk verder gesprek over iets sluit? Je worstelt met je eigen kwetsuur en onmacht. Maar misschien kan je geloof ook een beetje een pleister op de wonde zijn. Onze parochieassistent ervaarde het aan den lijve.

Stel: tijdens een groepsgesprek ontstaat er een discussie met een vriend over iets wat je dierbaar is. Enkele maanden later – je hebt intussen een dierbare verloren en je vriend weet dat – gebeurt hetzelfde. Ditmaal staat je vriend je echter niet toe om verder te spreken. Een scala aan gevoelens passeert bij je: kwaadheid, triestheid, verslagenheid. Je laat alles bezinken en kiest dan voor dialoog. Nu eens negeert je vriend jouw uitnodigingen om van aangezicht tot aangezicht met elkaar in gesprek te gaan, dan weer zegt hij toe om vlak voor de afspraak opnieuw af te zeggen. Enkele gemeenschappelijke vrienden trachten hem te overtuigen van het belang van een gesprek. Het brengt geen zoden aan de dijk. Je laat alles weer bezinken, tot je tijdens het bidden met de Bijbel voelt dat God tot je zegt: ‘Probeer het toch nog maar een keer’. Je gaat akkoord met je vriend om dit per mail te bespreken. Eindelijk kan je verwoorden wat je gekwetst heeft, of je probeert dat toch: woorden toevertrouwen aan een mail is heel anders dan je helemaal kunnen tonen tijdens een echt gesprek. Je vriend zegt ‘sorry’, wat veel voor je betekent. Hij legt zelfs uit waarom hij de laatste keer zo kortaf was. Maar wanneer je hem vraagt of we iets kunnen doen om dit in de toekomst te vermijden, klapt hij dicht. Hij laat weten dat het gesprek weer aanknopen een slecht idee was en dat hij alle verdere berichten over dit onderwerp noch zal lezen, noch zal beantwoorden. Of je dit kan afsluiten is jouw probleem, laat hij je nog weten, niet het mijne. De deur gaat dicht.

Wat doe je dan?

Ik heb het zelf meegemaakt. En ik probeerde van alles. Ik herinnerde er mezelf aan dat mijn vriend veel goede kanten had en dat ook ik fouten maak tegenover medemensen. Anderzijds overtuigde ik mezelf ervan dat ik precies had gedaan wat een bekende Bijbeltekst (Mt. 18,15-17) over dergelijke omstandigheden zegt, zij het misschien niet in exact dezelfde volgorde: ik had geprobeerd met de vriend, persoonlijk en via andere mensen, in gesprek te gaan. Ik mocht, met andere woorden, ‘het stof van mijn voeten schudden’ (Mt. 10,14). Verder vertelde ik mezelf dat ik, net als de barmhartige Vader in de parabel van de verloren zoon, zou blijven uitkijken naar de vriend die me gekwetst had, en dat die misschien ooit toch open zou staan voor een nieuw en oprecht contact over deze zaak. Dat de deur dus niet onherroepelijk dichtgegaan was. Ik probeerde me ook empathisch op te stellen: ik wist misschien niet waarom mijn vriend zich zo gedroeg, maar dat wilde niet zeggen dat daar geen reden voor was. Misschien zat hij nu eenmaal zo in elkaar, of misschien hadden ervaringen uit het verleden hem zo gemaakt. Toch bleef ik worstelen met wat er gebeurd was. Dat is ook logisch, want bij alles wat ik net vermeldde had ik wel oog voor mijn vriend en de toekomst, maar niet voor mijn eigen kwetsuren. Ik ben een mens met gevoelens, net als iedereen. Bovendien maakte het afbreken van elke verdere vorm van gesprek het mij onmogelijk om mijn vriend beter te begrijpen, om mijn gevoelens verder te verwoorden, en om dit voorval écht af te sluiten. Wel liet ik me troosten door de meevoelende, hartverwarmende reacties van onze gemeenschappelijke vrienden. Maar de onmacht, het niet-begrijpen en niet-begrepen worden, wogen zwaar. Loslaten: het is allemaal goed en wel, maar wat met je eigen gekwetst-zijn?

Uiteindelijk besefte ik dat ik niet zozeer diende los te laten en uit handen te geven, maar ‘in handen te leggen’. In Gods handen, meer bepaald. Maar ging ik daarmee niet opnieuw voorbij aan mijn eigen gevoelens? Niet als ik oprecht kon geloven dat God er iéts goeds kon mee doen. Wat, dat wist ik niet, en het was ook niet aan mij om dat te bepalen. Maar daar ging het voor mij ook niet om. Waar het wel om ging, was het geloof dat God uit iets dat onaf is en pijn doet, iets goeds kan laten groeien.

Het is gek, maar pas nu ik dit schrijf, dringt er nog iets tot mij door dat minstens even belangrijk is. God kijkt ook nu met tederheid en liefde naar mij en mijn vriend. Hij wil ons troosten, Hij wil dat we oprecht gelukkig zijn. Over het feit dat ik mezelf enkele keren heb opzij gezet voor mijn vriend tot die de deur zelf sloot, denkt Hij wellicht: ‘Het is goed’. Precies dat brengt me tot een laatste gedachte: als je oprecht gelooft in Gods liefde en barmhartigheid, is geloof misschien een prima medicijn tegen verbittering.

Wim Corbeel (Reacties op dit cursiefje zijn welkom op wim@elisabethparochie.be)

Zoeken

Dekenaal nieuws