006_De zoete inval_Bij ons is iedereen welkom - wijkfeest in de pastorietuin © Jan De Broeck
In dit cursiefje pleit Wim ervoor dat onze kerkplekken op een warme manier openstaan voor ‘de zoete inval’. Met andere woorden: iedereen mag er zich welkom voelen. Niemand minder dan de H. Benedictus is daarbij onze gids.

“Ken je het verschil tussen mijn huis en mijn hoofd?”, vroeg een wat ouder wordende vriend me ooit. Toen ik neen knikte, zei hij: “Het ene is de zoete inval, het andere de zoete uitval.” Daarbij wees hij grijnzend naar zijn inderdaad wat naar kaalheid neigende hoofd.

Het mopje deed me denken aan verhalen van mijn moeder over haar kindertijd. Ze woonde, samen met een smak zussen en broers, in een beenhouwerij te Poperinge. Het was daar ook ‘de zoete inval’: er kwamen voortdurend mensen langs, niet alleen klanten maar ook vrienden en verwanten. En iedereen was er welkom, anders had mijn moeder het wellicht eerder gehad over de zùre inval. Mensen vonden het leuk als anderen hen thuis bezochten, en onthaalden hen blij en gastvrij. Het was voor moeder dan ook wennen toen ze samen met vader in Kraainem ging wonen. Dat je mensen eerst moest opbellen om te vragen of je kon langskomen, wekte bij haar opperste verbazing.

Ikzelf heb er altijd van gedroomd: een thuis die tegelijk een zoete inval is. Misschien is de grootste uitdaging, of vijand zo je wil, van die droom wel ons aller drukke agenda. Hebben we nog tijd voor mensen die ons met een bezoekje willen vereren? ‘Met een bezoekje vereren’: is dat trouwens geen prachtige uitdrukking om te zeggen dat we gasten als een eer beschouwen? Toegegeven, ook ik heb vaak geen tijd voor dat extra bezoekje. Maar eigenlijk vind ik dat jammer, want ik hou van ontmoetingen.

Eén van de vele mooie geschenken bij mijn werk in de toenmalige Brusselse pastorale eenheid Etterbeek-Woluwe was dan ook mijn werkplek, de pastorie van Stokkel. Het was daar immers ook een beetje ‘de zoete inval’. Als ik ‘s morgens vroeg aankwam, stonden er meteen twee zaken op het programma: een babbeltje met wie er al was, en een kopje koffie (of iets sterkers, na de zondagsviering). Er was ook een geadopteerde kater: Kouro, Japans voor ‘zwartje’. Die zwarte kleur maakte hem moeilijk te onderscheiden van Giscard, de kat van de pastoor. Maar dat gaf niet. Als student probeerde ik een kater ’s morgens te vermijden, maar in Stokkel kon ik er met plezier twee aan. De pastoor zelf stuurde nooit zijn kat: hij kwam dagelijks binnen voor een korte babbel, een wat langer overleg of een gezellige maaltijd samen. En dan waren er nog de vele andere parochianen die kwamen aankloppen of een al dan niet prettig gestoord telefoontje pleegden. Lief en leed delen, daar draaide het om in dit huis dat als een echte ‘thuis’ aanvoelde. Het stond ook open voor kwetsbare mensen en zij die hulp zoeken. Niemand minder dan Benedictus zegt in hoofdstuk 53 van zijn regel: “Alle gasten die aankomen moeten worden ontvangen als Christus zelf, want Hij zal eens zeggen: "Ik kwam als gast en gij hebt Mij opgenomen".” De pastorie van Stokkel leek in mijn ogen dan ook veel op een benedictijnerabdij. Met een norbertijn aan het hoofd. Van een unieke combinatie gesproken.

Ook nu ik als parochie-assistent in de dekenij van Dendermonde werk, is het vaak een beetje de zoete inval. Veel van die mensen komen er regelmatig, maar soms zijn er ook minder bekende bezoekers. Toch heeft elke ontmoeting, hoe kort of lang ook, iets bijzonder. Gastvrijheid begint niet (alleen) met een stevige pint of een lekker kopje koffie, maar (ook) met een hartelijk woord en een luisterend oor. Dat geldt trouwens niet alleen voor de dekenij, maar ook – en misschien nog veel intenser – in de kerk zelf. De boodschap van Benedictus blijft voor ons christenen van onschatbare waarde. 

Wim Corbeel (Reacties op dit cursiefje zijn welkom op wim@elisabethparochie.be)

Zoeken

Dekenaal nieuws