Wanneer ik overdag thuis werk, zorg ik ervoor dat er wat structuur en afwisseling in de dag zit. Zo ga ik minstens één keer per dag een halfuurtje wandelen. Mijn vrouw en ik wonen vlakbij het kerkhof van Dendermonde; als je langs de muur van die begraafplaats gestapt bent, kom je midden in de velden terecht. Even verder kom je uit op de Dender.
Aanvankelijk was het voor de stadsmens in mij, die altijd in het Brusselse of het Leuvense had gewoond, toch wel wennen: die uitgestrektheid van het landschap, en het gevoel van verlatenheid dat er vaak mee gepaard gaat. Misschien deed het me precies daarom zo veel plezier als ik iemand tegenkwam aan wie ik goeiedag kon zeggen. Maar gaandeweg leerde ik ontdekken dat die desolaatheid er soms ook voor zorgt dat je mooie dingen begint te zien, die je anders misschien pardoes voorbij zou lopen. Een rode bloesem te midden van groene struiken en distels bijvoorbeeld, die zich op een gure herfstdag als een kostbaar en wat verloren geschenk aan je openbaart. Of een eend die zich verborgen hield in het struikgewas aan de oever van de Dender en die plots opvliegt. Of een paard.
Nu kom ik wel wat paarden tegen op mijn vaste wandelroute. In het begin knikte ik ze vriendelijk gedag terwijl ik “Hello horsies!” zei, om dan vrolijk verder te wandelen. Alsof ik ‘mijn ronde’ deed. Maar geleidelijk aan begon ik bij ze stil te staan. En ze aan te kijken. En vooral… daar de tijd voor te nemen. De kentering gebeurde, denk ik, toen één van de paarden – een mooi bruin exemplaar met zwarte manen en intelligente ogen – me ook bleef aankijken: rustig, zonder een zweem van angst, ja zelfs wat intens. Wat een edel dier, dacht ik plots bij mezelf. Voor ik het wist, begon ik ermee te praten. Waarover? Nou… over koetjes en kalfjes (vergeef me de uitdrukking). Het paard bleef me aankijken, niet onverschillig. Of het me begreep weet ik niet, maar… er was contact.
De volgende keer keken we elkaar opnieuw aan. Maar ditmaal was er een extraatje: toen ik het beest over de snuit wilde aaien schrok het even terug, maar toen ik rustig bleef staan stak het tot mijn grote verbazing zijn nek half schuin omhoog. Alsof het wilde zeggen: “Kan je dààr even krabben? Het jeukt!” Ik ging op de uitnodiging in, en… het paard liet begaan. Het leek wel of alle paarden uit de buurt die nacht met elkaar over het voorval praatten, want toen ik enkele dagen later opnieuw mijn wandeling deed kwamen in diverse weiden spontaan paarden naar me toegelopen. Sindsdien is elke wandeling voor mij – en hopelijk ook voor hen – een beetje een feest.
Laat u echter niet misleiden: de wereld der paarden is lang niet altijd een sprookje. Ik heb genoeg paardenvijgen gezien om dat te weten, en vaak staan de arme dieren urenlang in weer en wind om dan een donker schuurtje in te kruipen. Maar zo is het ook in het echte leven: dat is soms allesbehalve rozengeur en maneschijn. En toch, als je door alle lelijkheid heen kan kijken... zie je soms het mooie. Zoals het edel gezicht van een paard dat met de hoeven in een drassige modderbrij staat.
Misschien ligt precies daarin de échte schoonheid van Gods schepping: het mooie dat in het minder mooie, soms ronduit lelijke doorbreekt. Het moet voor de leerlingen die de stralend witte Christus hadden gezien tijdens Zijn gedaanteverandering, een schok geweest zijn om later de lelijkheid van de zwaar gehavende Jezus te aanschouwen terwijl Hij als een slaaf Zijn kruis droeg. Maar precies doorheen die lelijkheid zien we, aan de verre horizon, al een bescheiden verrijzeniszonnetje. En weten we dat Jezus Christus ook naast ons staat in de lelijkheid die ons eigen leven soms kenmerkt.
Wim Corbeel (Reacties op dit cursiefje zijn welkom op wim@elisabethparochie.be)