© WANTO portfolio
Toen ik op een avond in het station Brussel-Centraal zat te wachten op mijn trein naar Dendermonde, moest ik even met mijn ogen knipperen. Eerst dacht ik dat ik het verkeerd gelezen had, maar het stond wel degelijk op een stilstaande locomotief: ‘Noodingang’. Een nooduitgang kende ik wel, maar een noodingang? Ik ging mijn licht opsteken bij de NMBS. Blijkbaar zijn sommige plaatsen (ramen, bijvoorbeeld) aan een trein zo gemarkeerd omdat hulpverleners daar bij een ongeval snel in een wagon kunnen geraken.
Veel mensen – ik ook – hebben vandaag nood aan hun eigen noodingang. Een priester vertelde ooit dat veel tijdgenoten de hele dag bezig zijn met zichzelf ‘staande te houden’. Het klinkt misschien wat dramatisch, maar er klopt wel iets van. We hollen met zijn allen van hot naar her en kennen met de smartphone in de hand nog maar weinig rust, zelfs niet voor elementaire zaken als eten en een rustig gesprek. Dat hollen is niet nieuw: Herman Van Veen zong er in 1979 al over in zijn lied ‘Opzij, opzij, opzij’. Maar we mogen er evenmin de ogen voor sluiten: kijk maar naar het stijgend aantal gevallen van depressie, agressie en burn-out.
Tot zo ver het negatieve nieuws. Veel mensen doén immers ook iets met het gevoel ‘geleefd te worden’. Dat uit zich vaak in het opzoeken van innerlijke rust, en niet zelden ook stilteplekken. Zo ontdekken ze hun eigen, eerder spirituele noodingang. Als christenen hebben we niet langer het monopolie op het aanbieden van die innerlijke rust: naast mensen die een dragende grond opzoeken in abdijen en kloosters, zien we ook mensen die hun heil zoeken in ontspanning, psychotherapie, coaching, mindfulness, of zelfs een radicale ommekeer in hun eigen levensplannen.
Toch bieden kerk en christelijk geloof een unieke noodingang. Veel alternatieve vormen van innerlijke rust en ‘stilstaan’ zijn er op gericht jezelf (en bij uitbreiding soms ook anderen) opnieuw beter te leren kennen. Dat is prima: vaak vinden mensen zo een ‘nieuwe adem’ in hun leven, een nieuw platform van waaruit ze verder kunnen gaan. Het evangelie doet dit ook, maar gaat nog een stapje dieper: het helpt je jezelf beter te leren kennen… als iemand die geliefd wordt door God. Hij aanvaardt je zoals je bent (ook met je kwetsbare kanten) én gelooft in je (Hij nodigt je uit om terug op te staan als je gevallen bent, en reikt je daarbij van harte Zijn hand). Dit terug ontdekken, daar heb je vaak tijd voor nodig. En stilte. Niet toevallig kan je beiden vinden in een kerkgebouw, en in een geloofsgemeenschap. Laten we ze allebei openstellen: een open deur, minstens af en toe, in kerkgebouwen; en een open hart in onze geloofsgemeenschappen. Laten we, in een tijd waarin veel mensen zoeken naar een noodingang, een unieke deur open zetten. Overigens: mensen die zich bemind weten door God, kunnen Zijn liefde uiteindelijk vaak verder uitstralen naar anderen. En zo zelf een noodingang worden die, zoals bij de trein, een deur opent naar anderen in nood.
Wie onze kerk, onze gemeenschap binnenkomen wil, is welkom. Dat is de kern van christelijke gastvrijheid, en die opent de deur van onze noodingang.
Wim Corbeel (Reacties op dit cursiefje zijn welkom op wim@elisabethparochie.be)